Groeit mijn zoon op in een land waar grappen maken wordt verboden?

Anderhalf jaar geleden brachten we mijn opa Schipper naar zijn laatste rustplaats. Grappen en grollen was zijn specialiteit. Ook op zijn sterfbed. ‘Zal ik naast je komen liggen?’, vroeg zijn broer. ‘Nee, laat maar zitten. Ik heb liever een lelijke vrouw in mijn bed dan een vent.’

Momenteel worden adverteerders van het programma Veronica Inside platgebeld omdat Johan Derksen weer eens een grap heeft gemaakt (klik hier om het fragment te bekijken). Nadat eerder vrouwen, homo’s en transgenders in de gordijnen vlogen, is het dit keer de beurt aan de zwarte gemeenschap. Wat ben ik blij dat er geen uit de context gerukt fragment van de grap van mijn opa op sociale media is verschenen. Dan zouden het COC en Ingrid van Engelshoven (de minister van Emancipatie) schuimbekkend zijn verzorgingstehuis hebben gebeld. ‘Meneer Schipper heeft zich schuldig gemaakt aan seksisme én homofobie.’

De grap waar politiek-correct Nederland dit keer over valt gaat over Akwasi Owusu Ansah. Ik ken de beste man sinds Tweede Pinksterdag. Akwasi werd een nationale beroemdheid vanwege de volgende historische uitspraak: ‘Op het moment dat ik een Zwarte Piet tegenkom in november, trap ik hem hoogstpersoonlijk in zijn gezicht’, en trad zo in de voetsporen van Martin Luther King. Nadat bij Veronica Inside een Zwarte Piet op een Black Lives Matter-demonstratie werd gespot, zei Derksen grappend: ‘Weet je wel zeker dat het Akwasi niet is?’ In de tijd van opa Schipper werd hier hartelijk om gelachen. Akwasi en pleitbezorgers voor de boycot van Veronica Inside zijn er heilig van overtuigd dat het dwarszitten van een sigaar rokende voetbalbalcommentator hetzelfde is als racisme bestrijden.

Opnieuw zijn de roeptoeters die de omstreden grap massaal verspreiden (en te koop lopen met hun morele gelijk) te lui om zich te informeren. Wie zich echt in Derksen en zijn kompanen wil verdiepen zou de uitzending van een uur helemaal moeten terugkijken. Dan zouden ze ook opmerkingen hebben gehoord als ‘iedereen aan deze tafel is tegen racisme’. Ook werd er begrip getoond voor de gematigde anti-racismedemonstranten. Maar de schreeuwers die Derksen nu aan de schandpaal nagelen, zijn daar niet in geïnteresseerd. Die ‘zeiksnor’ is een homofoob en racist, zo is hun stellige overtuiging. Bij dat standpunt worden vervolgens fragmentjes geknipt en plakt. De context van die fragmentjes doet er niet toe.

Wat moet het heerlijk zijn om op die manier punten te scoren bij je vrienden en volgers op sociale media. Wie daarin meegaat is onder andere voetballer Virgil van Dijk. De Oranje-international wil zich niet meer door Veronica Inside laten interviewen. ‘Genoeg is genoeg.’ Dat zegt hij vreemd genoeg niet over de bouwers van de stadions waarin hij in 2022 hoopt te schitterend tijdens het WK in Qatar. Bij de bouw van die stadions zijn volgens Amnesty International duizenden doden gevallen. Wie wél het lef had om zich tegen deze ramp van wereldformaat uit te spreken was… Johan Derksen. Toen Ajax en PSV vorig jaar kozen voor een trainingskamp in Qatar sprak hij zich hiertegen uit. Van Dijk en zijn fans kijken liever weg van deze vorm van moderne slavernij.

Groeit mijn zoon (ruim een half jaar jong) op in een land waarin geen grappen meer gemaakt kunnen worden over homo’s en donkere mensen? Een mooie taak voor de nieuwe generatie opvoeders om die grappen juist wél te blijven maken. In de nieuwe opvoedboekjes hoort dan ook de bijdrage van clown Bassie: ‘Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen.’ Hopelijk kan ook mijn zoon als zijn tijd gekomen is een foute grap maken op zijn sterfbed, in navolging van zijn overgrootopa.

Die voetballer die mij uitschold om mijn huidskleur is geen racist

Met stijgende verbazing zie en lees ik dat duizenden ‘kleurgenoten’ in Nederland de straat opgaan om deel te nemen aan anti-racismedemonstraties. Die verbazing deelt iemand die mij het volgende appje stuurde: ‘Ik had altijd het idee dat we daar in Nederland al voorbij waren.’ Is Nederland racistischer dan we denken?

Het was zaterdagmiddag. Zo’n 15 jaar geleden. In het geel-zwarte tenue van mijn toenmalige voetbalclub Tholense Boys speelden we een uitwedstrijd in een troosteloos Zeeuws dorp. De wedstrijd was nog maar net begonnen. Tot mijn stomme verbazing lag ik opeens languit op de grond. Onderuit getrapt door de tegenstander. Hij greep zijn kans omdat de bal en de scheidsrechter uit het zicht waren. ‘Smerige stinkneger!’, voegde hij eraan toe. En dit tafereel herhaalde zich nog een paar keer die wedstrijd.

Kijkend naar de anti-racismedemonstraties in binnen- en buitenland vraag ik mij af of die kerel wel of niet écht een racist is. Ik heb een donkerbruin vermoeden dat hij een reden zocht om mij uit de wedstrijd te halen. Als ik hetzelfde lichaamsformaat had als Hollebolle Gijs had hij mij ‘smerige stinkbolle’ genoemd. En als ik mijn lenzen had thuisgelaten en in plaats daarvan met een bril het veld opging, kreeg ik mogelijk ‘brillenjood’ naar mijn hoofd geslingerd. Achteraf had ik mij moeten concentreren op de wedstrijd, maar in plaats daarvan liet ik mij meeslepen door mijn emoties.

Ik herinner mij dat er ook heel wat opmerkingen zijn gemaakt over mijn huidskleur toen ik als brugpieper naar de middelbare school ging. Waren die grappenmakers, die iedere zondag keurig naar de kerk gingen, racisten? Volgens mij was het onderdeel van een ‘spel’ om uit te testen hoe ik hierop zou reageren. Ik besloot al snel om er zelf grappen over te maken. Nadat meneer Simons, leraar Nederlands, vertelde dat hij behoorlijk bruin was geworden omdat hij op skivakantie is geweest, liet ik weten dat ik iedere maand op skivakantie ga. De angel was eruit.

We leven in een tijd dat grappen maken over homo’s, vrouwen en zwarten steeds minder wordt geaccepteerd. Verschijn je in een pruik op tv om te doen alsof je bent overgestapt naar het andere geslacht? Een dag later roept de minister van Emancipatie je op het matje. Een carnavalsliedje over Sylvana Simons? Nog diezelfde dag schuift ze aan bij een talkshowtafel om duidelijk te maken dat Nederland een racistisch land is.

Een jaar geleden ontstond in het hele land ophef omdat een voetballer van Excelsior huilend het veld afliep, omdat honderden supporters oerwoudgeluiden maakten. De steun die Mendes Moreira kreeg was overweldigend. Nederland stond massaal op tegen racisme. Zo racistisch is ons landje dus niet. En ook vraag ik mij nog altijd af of de meeste supporters die zich misdroegen échte racisten zijn. Stoer doen tegenover je vrienden en de tegenstander uit de wedstrijd halen, spelen ook een rol. Net als bij die voetballer die mij onderuit schoffelde.

Wordt een Amerikaanse cultuurstrijd naar ons land overgehaald? En maken links-extremistische groepjes zoals Knock Out Zwarte Piet misbruik van een nieuwe beweging om een half jaar voor het Sinterklaasfeest al van zich te laten horen? In hoeverre zijn ‘racisten’ in Nederland echt racistisch, of worden hun opmerkingen uitvergroot? Wie de anti-racismedemonstraties in Nederland wil duiden, zou ook op deze vragen antwoord moeten geven.

In coronatijd is zondag een verschrikking

YouTube, Facebook, WhatsApp. Media genoeg om de kerk te vervangen, zou je zeggen. Maar er wordt wel heel erg luchtig gedaan over kerk-zijn in coronatijd. Iedere zondag is een verschrikking.

Eén van mooiste dingen van de kerk is dat ik mensen ontmoet die ik normaal gesproken nooit tegen het lijf zou lopen. Een asielzoeker die vanwege zijn situatie in onzekerheid leeft. Een kerel die glunderend kan vertellen over bladblazen en vuilnisbakken legen, zijn fulltime job. Een tiener die de komende week alles op alles zet om het volgende level van zijn computerspel te bereiken. Een heerlijk zooitje ongeregeld.

We zijn met ongeveer 100 mensen in totaal. En we noemen onszelf ‘kerk’ (je moet toch iets verzinnen). Na het ontbijt nemen mensen plaats in de kerkbanken en kerkstoelen. We zingen liederen in het Nederlands en Farsi, vanwege de relatief grote groep Iraniërs en Afghanen. De spreker vertelt een verhaal uit de Bijbel, gevolgd door een vragen- en gespreksronde. Na afloop volgt een derde helft met een hapje en een drankje.

Kerken doen er nu van alles aan om dat wat hierboven beschreven staat digitaal te organiseren. In kerken waar de preek van de dominee centraal staat, is dat goed te doen. Maar in multiculturele gemeenschappen waar veel tijd en energie in ontmoeting wordt gestoken, is dat een stuk ingewikkelder. De grootste winst van een gesprek via Zoom is dat de verbinding niet hapert. Ieder leuk gesprekje dat daarop volgt is mooi meegenomen.

Ik mis de vriendelijke blikken van mensen als we de kerk binnenlopen.

Ik mis de mensen die even onze kinderwagen in kijken.

Ik mis de soms ongemakkelijke gesprekken aan de ontbijttafel.

Ik mis die jongen die elke zondag naar mij toekomt om te zeggen dat Ajax gaat winnen.

Ik mis die Afghaanse man met wie ik geen gesprek kan voeren, maar mij altijd vriendelijk begroet met een handdruk.

Ik mis de spelende kinderen die rondrennen alsof ze zich voorbereiden op het WK atletiek.

Ik mis de altijd terugkerende mededeling: ‘Wie helpt er na de dienst met de afwas?’

Ik mis de gesprekken tussen Iraniërs die ik inhoudelijk niet kan volgen.

Ik mis het samen zingen van mooie liedjes zoals ‘Welkom in Gods huis’.

Ik mis de kerkbank waar ik een houten kont van krijg.

Ik mis het kinderlied waarbij volwassenen mensen opfleuren met allerlei kinderlijke gebaren.

Ik mis de lege batterijen van de microfoon waardoor de dienst moet worden stilgelegd.

Ik mis de collectezakken die er iedere week ellendiger uitzien, maar toch gebruikt blijven worden.

Ik mis de momenten waarop we samen stil zijn om tot God te bidden.

Ik mis het kunst- en vliegwerk dat ik nodig heb om na afloop bij de koffie en thee te kunnen komen.

Ik mist de (bijna) wekelijkse begroeting met die kerel die zich nu de benen uit zijn lijf loopt op de Spoedeisende Hulp-afdeling van het ziekenhuis (succes, makker!).

Ik mis de tieners voor wie het hoogtepunt van de kerkdienst vooral het tafelvoetbal na afloop is.

Ik mis zelfs de korte wandeling van de kerk naar huis om na te genieten van al die indrukken van de paar uur daarvoor.

Vorige week las ik dat coronapatiënten die hersteld zijn heel lang psychische en mentale problemen kunnen houden. Ook voor hen zou het mooi zijn als de kerkdeuren weer snel opengaan. Samen eten, zingen én het Evangelie horen. Dat is nog eens een krachtig medicijn.

Wie dacht dat YouTube of Zoom voor nu de kerk kan vervangen, heeft het mis. Afgelopen weekend konden we Pasen niet in de kerk vieren. De kans is groot dat ook het Pinksterfeest te vroeg komt. Ik hoop dat de eerste kerkdienst na de coronacrisis zo’n groot feest wordt dat het voelt alsof we Pasen, Pinksteren én Kerst op één moment vieren.

De andere wang toekeren? Geen haar op mijn hoofd die daaraan denkt!

Veel mensen die ooit onaardig tegen mij hebben gedaan, heb ik vergeven. Er is één vrouw die dat op haar buik kan schrijven. Haar wens ik dramatische feestdagen en een ongelukkig nieuw jaar toe!

‘Die jongen kan niet boos worden.’ Dat is een opmerking die ik mijn leven vaak heb gehoord. Dit is vast herkenbaar voor mensen die volgens anderen ‘te goed zijn voor deze wereld’. De één bedoelt het als compliment, omdat je het hart op de goede plaats hebt zitten. Een ander zegt dit om aan te geven dat je eigenlijk alles prima vindt en zelfs over je heen laat lopen.

In de christelijke wereld waarin ik mij bevind, wordt gestimuleerd om zoveel mogelijk ‘de andere wang toe te keren’. Deze bekende uitspraak is een verwijzing naar Jezus, hét grote voorbeeld van christenen. Jezus werd bespot en geslagen, maar Hij had Zijn vijanden lief. Christenen sporen elkaar aan om daar een voorbeeld aan te nemen. Een advies waar niks mis mee is, denk ik dan.

In mijn leven heb ik vaak met de hand over mijn hart gestreken als iemand een vervelende opmerking maakte of mij onrechtvaardig behandelde. Ik vind een meningsverschil of conflict vaak te veel gedoe en zonde van mijn tijd. Dus liever haal ik mijn schouders op en ga ik over tot de orde van de dag. Bovendien voorkomt dit een te hoge bloeddruk en zeurende hoofdpijn.

Maar sinds afgelopen vrijdag is er één vrouw die ik het licht in de ogen niet gun. Een vrouw die ik ondanks mijn twee linkerhanden achter het behang zou willen plakken. Een vrouw van wie ik hoop dat ze vrijgezel is, omdat ik haar eventuele echtgenoot een gelukkig leven gun.

Ik heb het over de vrouw die mij verontwaardigd belde, omdat ik mijn werk niet goed gedaan zou hebben. Ik zou een e-mail met een afmeldingsverzoek voor mijn website over het hoofd hebben gezien. ‘Ik eis dat jullie binnen twee dagen mijn afmelding verwerken én mijn e-mail beantwoorden.’ ‘En JIJ gaat dat NU voor mij regelen.’ Deze muts was nog niet uitgesproken. ‘En als jij dat niet doet, stap ik naar de rechter.’

Allerlei herinneringen kwamen boven tafel. Ik dacht terug aan de tijd dat ik op 8-jarige leeftijd streng werd toegesproken door mijn moeder, omdat ik te lang achter de computer zat. Ik dacht terug aan dat moment dat Neline mij de waarheid vertelde, toen ik haar te lang liet wachten op een treinstation. En aan die keer dat iemand boos op mij werd, omdat ik het een inbreker wel heel makkelijk maakte door zijn waardevolle spullen niet veilig op te bergen.

Het verschil met die momenten is dat ik toen écht mijn afspraak niet nakwam en op een normale manier op mijn gedrag werd aangesproken. Die mevrouw die mij belde – en ik gelukkig niet persoonlijk ken – ging met de botte bijl te werk. Ik veranderde van een volwassen jongeman in een hondje dat op commando een pootje moest geven. Kortom, ik werd ontmenselijkt door een anoniem zeikwijf die het niet verdient om met ‘mevrouw’ te worden aangesproken.

Het gevolg was dat ik de tegenaanval inzette. ‘Ik wilde zo graag meedenken aan een oplossing. Maar als jij mij op dit toontje aanspreekt, weiger ik je te helpen.’ BOEM! Het telefoongesprek was over. Blijkbaar had ik de telefoon opgehangen. Jammer dat ik niet weet waar deze muts woont, dacht ik. Het liefst zou ik haar opzoeken om excuses te eisen. Een kwartier na het gesprek waren mijn handen nog altijd aan het trillen.

Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. ‘Als zij in de kerstvakantie gaat skiën, hoop ik dat ze zo hard valt dat ze vijf dagen lang geen schnitzel kan eten.’ ‘Ik hoop dat haar buren een haan aanschaffen, zodat ze iedere dag om 05:00 uur wordt gewekt door een luid ‘KUKELEKU’.’ ‘Als een groep zeemeeuwen na een lekkere maaltijd hun grote boodschap kwijt moeten, hoop ik dat ze op dat moment precies over haar achtertuintje vliegen.’

Als ik het evangelie (de blijde boodschap van Jezus) lees, word ik heel ongemakkelijk. Moet ik mij schuldig voelen over mijn gedachten? Ik heb namelijk geen vrede met het toekeren van de andere wang. Voor mijn gevoel verlies ik dan de strijd van een pedant dametje die ik geen overwinning gun. Een vergevingsgezinde houding aannemen gaat dwars tegen mijn menselijke gevoelens in.

De andere wang toekeren? Geen haar op mijn hoofd die daaraan denkt! Ik wens haar dramatische feestdagen en een ongelukkig nieuw jaar toe. Of zal ik haar toch maar een kerstkaart sturen met een liefdevollere boodschap?

Waarom ik binnenkort als Zwarte Piet mijn neefjes verwelkom

Over ongeveer vier weken komen mijn schoonzus, zwager en twee neefjes vanuit Israël een paar weken naar Nederland. Te laat om Sinterklaas en Zwarte Piet te ontmoeten, zou je denken. Maar ik zie het, als Piet met Surinaams bloed, als een goed excuus om te laat terug te keren naar Spanje en hen alsnog met cadeautjes te ontvangen.

Als zoon van een Surinaamse moeder heb ik goede herinneringen aan onze Sinterklaasvieringen. Mijn vader kwam regelmatig verkleed als Sinterklaas met een grote zak cadeautjes de woonkamer binnen. Nooit heb ik gedacht dat mijn moeder dan wel Zwarte Piet zou zijn. Ook niet als grapje. Zet een gemiddelde Zwarte Piet naast mijn donkere moeder en ik zie veel meer verschillen dan overeenkomsten. Felrode lippen. Ze zou het verschrikkelijk vinden. En gelukkig draagt ze ook niet zo’n gek petje met een veer.

Het schijnt nogal een dingetje te zijn, de kleur van de assistent van Sinterklaas. De term ‘zwartepietendiscussie’ is in ons woordenboek terechtgekomen. Was er maar sprake van een discussie, denk ik ieder jaar. Termen als ‘roeptoeteren’, ‘janken’ en ‘aanstellen’ komen wat mij betreft meer in de buurt van die zogenaamde zwartepietendiscussie. Het aantal agenten en ME-busjes rondom de recente intocht van de Sint in Den Haag is een nieuw dieptepunt die aan de lijst kan worden toegevoegd.

Ik mis een stukje Hollandse nuchterheid. Of het nu gaat om homoseksualiteit, abortus of Zwarte Piet, voortdurend zijn emoties in het debat leidend en wordt een kleine minderheid met een extreem standpunt uitvergroot. Ik vind het schrijnend om ervaringsverhalen te lezen van donkere mensen die racistisch zijn bejegend vanwege hun huidskleur. Maar zouden de échte racisten echt minder racistisch worden wanneer de roetveegpiet in iedere stad of dorp is geïntroduceerd?

Onlangs was voetballer Ahmad Mendes Moreira in het nieuws, omdat hij tijdens een voetbalwedstrijd slachtoffer was van racistische spreekkoren en apengeluiden. Toevallig speelt Moreira bij mijn favoriete voetbalclub Excelsior. Vergeten wordt dat, voordat de ‘zwartepietendiscussie’ bestond, rondom de velden al apengeluiden werden gemaakt. Als amateurvoetballer heb ik dat ook een keer meegemaakt in het Zeeuwse dorp Stavenisse. En de donkere keeper Stanley Menzo kreeg er 30 jaar geleden al mee te maken.

Wat mij vroeger zo kwaad maakte aan racisme-incidenten in de voetbalwereld, was dat het niet of nauwelijks serieus wordt meegenomen. Het fanatisme waarmee mensen de zwartepietendiscussie aangaan, ontbrak totaal na apengeluiden in voetbalstadions. Eén van mijn grootste ergernissen aan het gedoe rondom Zwarte Piet is dat het échte racisme naar de achtergrond verdwijnt. Dankzij de heldhaftige opstelling van Mendes Moreira is het racisme-incident in heel Nederland besproken en slaan invloedrijke personen uit de voetbalwereld eindelijk met de vuist op tafel.

Ik ben heel benieuwd wat Mendes Moreira van Zwarte Piet vindt. Drie van de tien Surinaamse ondervraagden (30 procent) en vier van de tien Antilliaanse (40 procent) is van mening dat Piet zwart mag blijven, blijkt uit onderzoek van EenVandaag. Op de Antillen is de kleur van Piet minder een probleem omdat het ‘nu eenmaal bij de traditie hoort’. Van alle ondervraagden in ons land vindt in totaal 71 procent dat het uiterlijk van Zwarte Piet niet aangepast hoeft te worden. Met deze statistieken in het achterhoofd zie ik geen enkele reden om voor een kleine, drammerige minderheid te buigen. Een minderheid die propaganda en halve waarheden inzet om tegenstanders zwart te maken.

Je zou kunnen zeggen: maar die boodschap blijft toch hetzelfde als Piet roetvegen of een andere kleur krijgt? Aanvoerders (onder andere Quinsy Gario, Sylvana Simons en Kick Out Zwarte Piet) van het kamp van de anti-Zwarte Pieten hebben ervoor gezorgd dat ik tegenstanders geen compromis in de vorm van roetvegen gun. Wie polariseert verdient geen aanpassing, maar de roe. En wie garandeert mij dat men met roetvegen genoegen neemt? Met fundamentalisten valt niet te onderhandelen. Ik vrees voor een hellend vlak (inmiddels staat ook Sinterklaas ter discussie).

Wat zou het mooi zijn als de tegenstanders van Zwarte Piet dit kinderfeest met rust laten en vertrouwen op de geschiedenis, die aantoont dat tradities min of meer vanzelf veranderen. In plaats van protesteren bij de intocht van Sint en Piet, doen zij er verstandig aan om hun protest te verplaatsen naar Zeist: de thuisbasis van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB). Want het is te gek voor woorden dat er in 2019 apengeluiden vanaf de tribune klinken als een zwarte voetballer aan de bal is.

Als ik Sinterklaas was, zou ik deze idioten meenemen in de zak naar Spanje. Daar hebben ze een jaar lang de kans om hun zonden te overdenken en te biechten. Zij zijn hét probleem en niet een onschuldige vader die met zijn familie een gezellige avond wil beleven.

Wie zeurt over het zwarte pak van refodominees verdient een donderpreek

Dominees in een zwart pak. Je ziet ze niet alleen in Katwijk aan Zee, Barneveld en Urk. Ook op CIP.nl komen deze mannenbroeders regelmatig voorbij. Wie denkt dat ze op onze site verschijnen om het kerkvolk een donderpreek te geven heeft het mis. Deze dominees moeten echter regelmatig zélf wel een virtuele donderpreek verwerken vanwege hun uiterlijk.

Eén van die mannenbroeders die op onze website is verschenen, is ds. C. P. de Boer. De christelijke gereformeerde dominee zocht ik onlangs op met een camerateam om vijf inhoudelijke video’s te maken over kleding. Op genuanceerde wijze legde de dominee uit waarom hij het heel belangrijk vindt om zich bewust te zijn van de kleding die hij draagt. Wie de video’s heeft bekeken zal tot de conclusie komen dat hij dat op een correcte manier doet. Niet vanuit een wettische houding. Ook bleef het opgeheven vingertje achterwege.

Zijn laatste videoboodschap ging over het zwarte pak dat de predikant draagt wanneer hij ‘in functie’ is. De reacties op sociale media waren erg voorspelbaar. De Boer zou doen alsof hij met zijn gezin in de Middeleeuwen leeft en zou ook te weinig blijdschap uitstralen. Vaak wordt dan de indruk gewekt dat het hele dorp tot geloof zou komen wanneer de predikant zijn zwarte pak aan het Leger des Heils zou geven en een moderne spijkerbroek en een bloemetjesoverhemd zou aantrekken.

Het is een veelgemaakte fout. Op basis van een dominee met een zwart pak denken dat je een traditie begrijpt en grote woorden gebruiken – het liefst met een moderne bijbelvertaling en de opwekkingsbundel in de hand. Ik zou zeggen: verdiep je eens in de kerkgeschiedenis, de Reformatie en de cultuur van reformatorische christenen. Dan zou er eindelijk eens op niveau over het zwarte pak van de dominee gediscussieerd kunnen worden.

Wie die cultuur namelijk leert kennen, weet dat een dominee een enorme domme fout maakt wanneer hij in zijn kledingstijl geen rekening houdt met zijn achterban. Sinds kort mag ik onze kerkelijke gemeente af en toe de kerkdienst leiden. Meestal doe ik dat in vrijetijdskleding met een nette blouse. Als ik de dienst leid in een zwart pak of in mijn joggingsbroek, creëer ik een bepaalde afstand. Dan vind ik geen aansluiting bij de mensen tegenover mij. Wij communiceren nu eenmaal niet alleen met onze mond, maar ook met onze kleding.

Vaak worden dominees uit de bevindelijk-gereformeerde traditie weggezet als wereldvreemde snuiters die de laatste modetrends niet bijhouden. Opnieuw een bewijs dat er vooral over de dominee wordt gesproken en niet mét de predikant. De meeste refopredikanten zijn zich wel degelijk bewust van het feit dat hun kledingstijl vraagtekens oproept en mensen kan afstoten. Dominee De Boer zei dan ook: “Als ik in Canada had gestaan, zou ik een blauw pak dragen. Dat is daar de gewoonte.” Zodra zijn kledingkeuze ten koste gaat van zijn boodschap, loopt De Boer de eerstvolgende C&A binnen.

Met deze houding treedt dominee De Boer in de voetsporen van Jezus. Welke kleding onze Heer heeft gedragen, is niet bekend. Wel lees ik in de Bijbel dat Hij zijn benadering laat afhangen van het publiek tegenover Hem. Jezus staat erom bekend dat hij het goede nieuws vertelde aan de hand van gelijkenissen. Een vorm die paste in de toenmalige Joodse cultuur. Ik kan me voorstellen dat Jezus de YouTube-generatie vandaag de dag heel anders zou benaderen. En wat uiterlijk betreft heeft Hij zich waarschijnlijk gekleed naar de heersende norm van Zijn groep om zo niet onnodig afstand te creëren tot Zijn achterban.

Heb je bezwaar tegen het zwarte pak van onze broeders (ja, we hebben het over mensen die dezelfde Jezus dienen als jij en ik)? Ik zou zeggen, ga volgend jaar naar deze conferentie in Elspeet. Drie dagen lang komen dan een paar honderd dominees bijeen om lezingen te bezoeken en elkaar te ontmoeten. Ik weet zeker dat ze in één van de lange pauzes bereid zijn om een boeiend en leerzaam gesprek over hun kledingkeuze te voeren (ik spreek uit ervaring). Een dominee via Facebook zwart maken – zonder zelf de moeite hebben genomen om met die dominee een goed gesprek te voeren – is niet volwassen, niet wijs én niet christelijk.

Het zwarte pak biedt zelfs kansen. Dat merkt ook ds. A. A. Egas (te zien op de foto boven dit artikel). Ook deze dominee kleedt zich in het zwart. “Ik moest een gemeentelid in het ziekenhuis bezoeken. Toen ik door de gang liep, riep er iemand: “Dominee, dominee. Zou u met mij willen bidden, want ik moet zo meteen geopereerd worden”, vertelde hij onlangs in deze CIP Podcast. Bijzonder! In een hedendaags ziekenhuis herkend worden omdat je een zwarte pak draagt.

In 2019 zijn niet alleen een moderne aanbiddingsdienst of coole YouTube-filmpjes middelen om de blijde boodschap van Jezus te verspreiden. Dat geldt ook voor het pak van ds. Egas. Wij denken vaak heel zwart-wit. Gelukkig is onze God anders!

Gejuich in de hemel, en in Zeeland

Deze week kijken mijn familie en ik uit naar een bijzonder feest. Op 21 september vieren mijn vader en zijn vrouw Helma hun 1-jarig huwelijksjubileum. Er klinkt dan niet alleen gejuich in hun Zeeuwse woonplaats ’s Gravenpolder, maar ook in de hemel.

Een jaar geleden mocht ik ceremoniemeester zijn op de trouwerij van pa, een jaar nadat ook mijn moeder in het huwelijksbootje stapte. Het moment dat ik mijn moeder in de kerk weggaf aan haar man, zal ik nooit meer vergeten. Het merendeel van mijn vrienden zal dit nooit meemaken en voor wie niet is opgegroeid in een ‘gebroken gezin’ is het moeilijk om hier überhaupt een voorstelling bij te maken.

Tussen 1997 en 2017 is het percentage vijftienjarigen dat niet gezamenlijk met beide ouders op hetzelfde adres woont, gestegen van 20 naar 30. Zo’n 16.000 kinderen in Nederland ondervinden serieuze problemen ten gevolge van gescheiden ouders. Ik denk dat het goed is om hier eens bij stil te staan. Op de middelbare school heb ik van veel lessen helemaal niets meegekregen. Mijn gedachten dwaalden af. Voortdurend.

Wie met kinderen van gescheiden ouders praat, zal heel veel verschillende verhalen aanhoren. Iedere scheiding is een verhaal op zich. Ook dat cliché is waar. Wat we gemeenschappelijk hebben is dat we onze ouders gelukkig willen zien. Als pa en ma dat niet met elkaar kunnen zijn, dan hopelijk met een ander. Het viel niet mee om ze doodongelukkig te zien, de één voor de scheiding en de ander erna. Het aantal slapeloze nachten is niet op twee handen te tellen.

Een trouwdag van pa of ma is niet te vergelijken met een ‘gewone’ bruiloft waarbij bruid en bruidegom geen rugzakje hebben. Met een dubbel gevoel leefde ik toe naar de grote dag, met alle verdrietige gebeurtenissen nog in het achterhoofd. Je zou het een gouden dag met een zwart randje kunnen noemen.

Deze week vieren mijn vrouw Neline en ik ons 3-jarig huwelijksjubileum. Het was toen maar de vraag of opa Schipper bij onze bruiloft aanwezig zou kunnen zijn. Zijn gezondheid ging destijds meer en meer achteruit. Gelukkig was er op onze trouwlocatie een traplift aanwezig en heeft hij, op de kerkdienst en het feest na, de ceremonie na bewust mee kunnen maken. Dat gold ook voor Nelines opa, die een jaar later overleed.

Na onze bruiloft knapte opa Schipper steeds meer op en mocht hij toeleven naar de bruiloft van zijn zoon (mijn vader dus). Speciaal voor die grote dag kocht hij een schitterend pak met een fleurige stropdas. Het stond hem fantastisch! Ik zie hem nog zitten in zijn rolstoel, wapperend met een Nederlands vlaggetje, bruid en bruidegom verwelkomend.

Het zou de laatste bruiloft zijn die hij heeft meegemaakt. Eerder schreef ik deze blog in de week voordat opa stierf en deze blog naar aanleiding van zijn begrafenis. Mijn vader mocht mijn het lichaam van opa Schipper afleggen. Pa trok hem het pak aan dat opa speciaal voor zijn bruiloft had gekocht. In dat pak heb ik opa voor het laatst gezien. In zijn kist. Met zijn handen op de Bijbel.

Zaterdag proosten we op het huwelijk van mijn vader en Helma. Gejuich in Zeeland, en in de hemel.

In christelijk Nederland voel ik mij vaak een tweederangschristen

Een voetbaltrainer kan niet meer dan elf spelers het veld opsturen. Wie niet tot die elf spelers behoort, valt buiten de boot. Een plekje op de bank of de tribune is het gevolg. Meekijken vanaf de tweede rang. Ook in de christelijke wereld zitten veel mensen op de bank of de tribune: tweederangschristenen.

Totdat ik mijn vrouw Neline leerde kennen ging ik iedere zondag naar een evangelische kerk en zij naar een hervormde kerk. Al snel kregen we een weekendrelatie. De ene week zongen we klappend opwekkingsliederen onder begeleiding van een muziekband. De andere week zongen we psalmen onder begeleiding van een organist. Het is duidelijk: we komen uit twee verschillende kerkstromingen. De pessimist zal zeggen: ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ De optimist zal beweren: ‘Twee geloven op één kussen, daar is de Heilige Geest aan het klussen.’

Terwijl de Heilige Geest in onze relatie aan het klussen was, zijn Neline en ik regelmatig gevraagd naar onze mening over een in christelijk Nederland gevoelig onderwerp: de doop. In mijn evangelische kerk werd de volwassendoop gehanteerd. Wie heeft besloten de rest van zijn of haar leven Jezus te volgen wordt op eigen initiatief gedoopt. Kortom, eerst geloof en dan doop. In de kerk waarin Neline is grootgebracht denkt men precies andersom: eerst doop, dan geloof. Daar is de kinderdoop gebruikelijk. Gods beloften gelden ook voor kinderen en de kinderdoop is een mooi symbool om dat te bekrachtigen.

Koffie schenken en bejaarden ophalen

In één van de grootste evangelische kerken van ons land ligt bij de ingang een boekje met mensen die het ‘gezicht’ van de kerk vormen. Kerkleiders, muzikanten, kinderwerkers etc. Wie zich niet als volwassene laat dopen, maar wel bij deze gemeente wil horen zal met zijn of haar gezicht niet in dat boekje terechtkomen. Dan zal je genoegen moeten nemen met een plaats om de ‘bank’ of de ‘tribune’. Taken als koffie inschenken of bejaarden ophalen blijven dan over. Tenzij je je laat dopen. Sommige mensen die met de kinderdoop opgegroeid en bij deze kerk willen horen, gaan uiteindelijk tóch kopje onder. De prijs voor een leven als tweederangschristen is te hoog.

Als het gaat over de doop heerst er in de evangelische wereld vaak een VOC-mentaliteit. Ik herinner mij een ongemakkelijk gesprek tussen een evangelische broeder uit mijn voormalige kerk. Hij had blijkbaar opgevangen dat Neline als kind is gedoopt en op latere leeftijd geloofsbelijdenis heeft gedaan. De beste man veranderde in een radicale evangelist die mijn vrouw behandelde als een afgedwaalde heiden die op weg is naar het eeuwig verderf. In de e-mail die hij later stuurde maakte hij duidelijk dat volwassendoop noodzakelijk zou zijn om het koninkrijk van God binnen te gaan. De e-mail kwam terecht bij ‘verwijderde items’. Tot in eeuwigheid.

Die VOC-mentaliteit is helaas ook in traditionele kerken te vinden. Zo schreef mijn collega Patrick Simons onlangs over een opvallende doopkwestie op Urk. Een evangelist doopte een volwassene in het IJsselmeer. Voor een dominee, aanhanger van de kinderdoop, was dit de laatste druppel die het doopvont deed overlopen. Hij trok de stoute schoenen aan en stapte naar het bestuur van de school waar deze man lesgeeft. Gevolg: de docent is tijdelijk gedegradeerd tot onderwijsassistent.

Een ijskoude douche of een warm bad?

Inmiddels kies ik al jaren voor de veilige route als het hierover gaat: zwijgen. Als ik op die manier een onveilig gevoel kan ontlopen, doe ik dat graag. Ten diepste wil niemand zich afgewezen voelen door een ander. Ik ook niet. Toch gaat daar verandering in komen. Mijn vrouw en ik hebben ons de afgelopen jaren in de kinder- en volwassendoop verdiept. Inmiddels zijn we ervan overtuigd dat één van de twee betere argumenten heeft. Kunnen we dan weer een ijskoude e-mail van een medechristen verwachten of kunnen we écht ervaren dat we onderdeel zijn van een warm bad, zoals in bijna iedere kerk wordt beweerd?

Een jaar of vijf geleden hield ik mijn adem in. Niet omdat ik werd gedoopt, maar omdat in de hervormde kerk van Neline het heilig avondmaal op het programma stond. Ik vreesde dat de dominee mij zou afwijzen. Lid van de verkeerde club. In plaats daarvan maakte de dominee duidelijk dat ik van harte welkom was om het avondmaal in zijn schitterende Amersfoorste kerk – waar Neline en ik ook zijn getrouwd – te vieren. Zitten aan de avondmaalstafel was één van de rijkste ervaringen in mijn leven. Geen tweederangschristen in de kerkbank, maar drinkend van de avondmaalswijn. Op de eerste rang.

Tijdens het avondmaal gaf de dominee mij een knipoog. Zo’n dominee gun je iedere kerk. Evangelisch of hervormd.

Een evangelische tsunami gaat de BibleBelt overspoelen: zijn we er klaar voor?

Zo’n 13 jaar geleden waarschuwde PVV-leider Geert Wilders dat ons land overspoeld zou worden. Overspoeld door een ‘tsunami van moslims’. Die islamisering is in christelijke kring vaak hét gesprek van de dag. Ondertussen wordt de ‘tsunami van evangelische christenen’ doodgezwegen of verketterd.

‘Ga jij ook al naar die halleluja-gemeente waar iedereen gelooft dat ze gegarandeerd naar de hemel gaan?’ Die vraag kreeg ik meer dan 10 jaar geleden regelmatig naar mijn hoofd geslingerd. In reformatorische kring was doorgedrongen dat ik het evangelische gedachtegoed had ontdekt. En inmiddels ben ik niet meer de enige.

In Drachten is het geloof van duizenden christenen nieuw leven in geblazen dankzij de baptistengemeente Bethel. Orlando Bottenbley is door dat succes een BC’er (Bekende Christen) geworden. Ook de DoorBrekers zijn doorgebroken in de BibleBelt. Eerst in Barneveld en nu ook op vier andere plaatsen. Het nieuwste succesnummer is Mozaïek0318 in Veenendaal. Christenen hebben er gerust een autoritje van drie kwartier voor over om daar de Heer te loven en te prijzen.

Onlangs sprak ik met Menno Hanse. In zijn woonplaats Veenendaal ziet hij de gevolgen van deze evangelische tsunami. Tussen de dertig en zestig mensen waren de afgelopen jaren aangesloten bij de jeugdvereniging van de hervormde kerk die hij bezoekt. Het aantal jongeren dat is gebleven is op één hand te tellen. De meesten hebben in de evangelische beweging een nieuw thuis gevonden.

Het valt hem op dat in de traditionele kerken deze beweging wordt doodgezwegen of verketterd. Dat verbaast mij. Tijdens en na de Reformatie hebben christenen goud ontdekt waardoor de kerk in Nederland nieuw leven werd ingeblazen. In deze tijd ontdekt de evangelische beweging nieuw goud. Dominees en ouderlingen weigeren die goudmijn te bestuderen en stoppen de in refoland ontdekte schat het liefst onder de grond. Jammer!

Ergens begrijp ik deze dominees en ouderlingen wel. Als groepen jongeren je kerk verlaten en verderop wél aansluiting vinden, kan dat voelen als een mes in de rug. ‘Wij lezen toch uit dezelfde Bijbel en bidden tot dezelfde God?’ Dat klopt! Reden te meer om deze groep ex-refo’s niet als collaborateurs te beschouwen. Bovendien voorkomt de evangelische tsunami dat deze groep wordt meegesleurd door een échte ramp: de secularisatiegolf. Dan wordt die Bijbel nooit meer geopend. Tot in eeuwigheid.

Omdat in sommige reformatorische kerken de traditie heilig is verklaard wordt het comfort van ouderen – die niet zonder de gereformeerde traditie kunnen – verkozen boven de behoeften van veel jongeren. Wat zou het mooi zijn als de jeugd na een weekend springen en praisen de door hen ontdekte schat kunnen openen in hun traditionele kerk en niet gedesillusioneerd hoeven uit te wijken naar een hippe evangelische kerk.

Wie in een evangelische gemeente het paradijs denkt te ontdekken, zal echter snel teleurgesteld worden. Ook die kerk bevindt zich buiten het paradijs, ook al doen de goedlachse broeders en zusters en de vrolijke liederen anders vermoeden. Helaas verheffen sommige evangelische kerken zich boven de rest omdat hun kerk wél groeit. Sommigen kunnen het vervolgens niet laten om met dedain over de reformatorische gezindte te spreken. Maar Kees Kraayenoord heeft met Mozaïek0318 niet het kerkwiel opnieuw uitgevonden. Het is dezelfde kerk als de kerk der eeuwen, maar dan in een ander jasje.

Doodzwijgen of verketteren. Dat is in reformatorisch Veenendaal volgens Menno Hanse de primaire reactie op de komst van Kees en co. Dat kan beter! Het wordt tijd voor een goed gesprek. Een thema-avond voor mijn part. Laat Kees Kraayenoord in drie punten vertellen wat hij waardevol vindt aan de reformatorische kerkcultuur. En laat een refodominee uit Veenendaal vertellen wat hij heeft geleerd van de opkomst van de evangelische beweging. Eén ding is zeker, het zal veel onbegrip en misverstanden wegnemen.

Ik vind het prachtig als een evangelische kerk een stad tot bloei brengt, gelovigen wakker schudt en voor verbinding zorgt door een sterke, sociale gemeenschapscultuur. Ik vind het ook prachtig als ik een refodominee zie schitteren op een kansel met een theologisch doorwrochte preek die ook het lef heeft om tegen de tijdgeest in te gaan. Twee goudmijnen. Evangelisch én reformatorisch goud. Ik hoop dat de refogoudmijn de evangelische tsunami overleeft.

Ik vond dominee De Heer een oubollige, vervelende refopredikant (en nu heb ik spijt)

‘God, ik dank U dat ik niet zo ben als de andere mensen.’ Dit gebed zal je niet snel te horen krijgen. En toch denk ik dat dit gebed in hoofden van mensen vaker wordt gebeden dan gedacht. Dit gebed van een Farizeeër uit Lukas 18 ging vaak door mijn hoofd toen ik las over dominee J. M. D. de Heer, predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten.

Als ik bij mijn schoonouders op bezoek ben, lees ik graag het Reformatorisch Dagblad. Vroeger deed ik dat ook toen ik als havoleerling studeerde bij een vriend. Regelmatig las ik artikelen van reformatorische dominees die niet blij zijn met de opkomst van de evangelische beweging. De opwekkingsliederen zijn te veel gebaseerd op gevoel en evangelische christenen zouden er te gemakkelijk vanuit gaan dat ze in de hemel komen. Soms had ook dominee De Heer weer eens iets over de evangelische beweging te melden. Dan had ik de neiging om de krant een paar uur later als wc-papier te gebruiken.

Het is altijd ongemakkelijk als ‘buitenstaanders’ kritiek uiten op de kerk die jijzelf bezoekt. De kritiek van dominee De Heer kwam nog harder binnen, omdat ik in een evangelische kerk tot geloof ben gekomen. Daar kwam de Bijbel voor het eerst tot leven. Kritiek op mijn kerk/beweging zag ik als kritiek op de HEER zelf. Alsof dominee De Heer mijn God weer opnieuw aan het kruis nagelde met zijn negatieve gebazel over evangelische gebruiken, liederen en kerken.

Sindsdien staat één ding voor mij vast: De Heer deugt niet en moet met pek en veren de kerk uitgejaagd worden. Ik was als de Farizeeër die het liefst met stenen naar zondaren zou gooien en het lef had om hardop uit te spreken: ‘God, ik dank U dat ik niet zo ben als die andere mensen [uit de GerGem, red.].’ Het was maar goed dat ik niet in Middelburg woonde. Dan stond ik hem met een mand rotte tomaten bij zijn pastorie op te wachten en kreeg hij ervan langs als hij naar buiten zou komen. De dominee zou dan voor het eerst met een rode stropdas de kansel betreden.

Het gevolg was dat ik de mensen die zijn kerk bezochten jarenlang niet serieus nam. Op zondagochtend zag ik ze regelmatig in grote aantallen naar de kerk lopen. Met dedain keek ik op ze neer. Op weg naar de ware kerk. Opwekkingsliederen zingend.

Aan die houding ging een aantal grote fouten vooraf. Ik verdiepte mij nooit inhoudelijk in de kritiek van dominee De Heer. Iemand demoniseren is immers gemakkelijker. Ook benaderde ik hem nooit voor een interview. Als redacteur van CIP.nl had ik dat op z’n minst kunnen proberen. Dan zou ik hem in de ogen kunnen kijken en mijn kritische vragen kunnen stellen. Mijn collega Patrick Simons deed dit onlangs wel, en met succes. In meerdere artikelen gaat De Heer voor onze website zijn kritiek beargumenteren. Tot mijn grote schrik ben ik het op sommige punten zelfs met hem eens.

Onlangs vroeg ik mij in een column af waarom christenen zich zo gemakkelijk op de kast laten jagen als iemand kritiek uit. Het is gewoon een teken van onvolwassen gedrag. Denk maar eens hoe pubers reageren als één van de ouders wijst op hun gedrag. Daarnaast helpt een vijandbeeld om jezelf of je eigen kerk op een voetstuk te zetten. Door dat vijandbeeld uit te vergroten denk je duidelijk te maken dat jij wél weet wie God is en die ander niet. Een handige tactiek is om negatieve ervaringen uit die andere kerken uit te vergroten en jezelf op de borst te kloppen met die prachtige godservaringen uit je eigen kerk.

Misschien is het marketingtechnisch heel slim om zo je eigen kerk te promoten. Maar christelijk is het niet. Het is hoogmoedig. Het laat zien dat wij mensen in zonde zijn ontvangen en geboren, zou dominee De Heer zeggen. Daarom zeg ik vandaag ‘sorry’ tegen De Heer. Hij is niet de vijand. Hij is een broeder. De Heer is een broeder in de HEER.