Waarom ik binnenkort als Zwarte Piet mijn neefjes verwelkom

Over ongeveer vier weken komen mijn schoonzus, zwager en twee neefjes vanuit Israël een paar weken naar Nederland. Te laat om Sinterklaas en Zwarte Piet te ontmoeten, zou je denken. Maar ik zie het, als Piet met Surinaams bloed, als een goed excuus om te laat terug te keren naar Spanje en hen alsnog met cadeautjes te ontvangen.

Als zoon van een Surinaamse moeder heb ik goede herinneringen aan onze Sinterklaasvieringen. Mijn vader kwam regelmatig verkleed als Sinterklaas met een grote zak cadeautjes de woonkamer binnen. Nooit heb ik gedacht dat mijn moeder dan wel Zwarte Piet zou zijn. Ook niet als grapje. Zet een gemiddelde Zwarte Piet naast mijn donkere moeder en ik zie veel meer verschillen dan overeenkomsten. Felrode lippen. Ze zou het verschrikkelijk vinden. En gelukkig draagt ze ook niet zo’n gek petje met een veer.

Het schijnt nogal een dingetje te zijn, de kleur van de assistent van Sinterklaas. De term ‘zwartepietendiscussie’ is in ons woordenboek terechtgekomen. Was er maar sprake van een discussie, denk ik ieder jaar. Termen als ‘roeptoeteren’, ‘janken’ en ‘aanstellen’ komen wat mij betreft meer in de buurt van die zogenaamde zwartepietendiscussie. Het aantal agenten en ME-busjes rondom de recente intocht van de Sint in Den Haag is een nieuw dieptepunt die aan de lijst kan worden toegevoegd.

Ik mis een stukje Hollandse nuchterheid. Of het nu gaat om homoseksualiteit, abortus of Zwarte Piet, voortdurend zijn emoties in het debat leidend en wordt een kleine minderheid met een extreem standpunt uitvergroot. Ik vind het schrijnend om ervaringsverhalen te lezen van donkere mensen die racistisch zijn bejegend vanwege hun huidskleur. Maar zouden de échte racisten echt minder racistisch worden wanneer de roetveegpiet in iedere stad of dorp is geïntroduceerd?

Onlangs was voetballer Ahmad Mendes Moreira in het nieuws, omdat hij tijdens een voetbalwedstrijd slachtoffer was van racistische spreekkoren en apengeluiden. Toevallig speelt Moreira bij mijn favoriete voetbalclub Excelsior. Vergeten wordt dat, voordat de ‘zwartepietendiscussie’ bestond, rondom de velden al apengeluiden werden gemaakt. Als amateurvoetballer heb ik dat ook een keer meegemaakt in het Zeeuwse dorp Stavenisse. En de donkere keeper Stanley Menzo kreeg er 30 jaar geleden al mee te maken.

Wat mij vroeger zo kwaad maakte aan racisme-incidenten in de voetbalwereld, was dat het niet of nauwelijks serieus wordt meegenomen. Het fanatisme waarmee mensen de zwartepietendiscussie aangaan, ontbrak totaal na apengeluiden in voetbalstadions. Eén van mijn grootste ergernissen aan het gedoe rondom Zwarte Piet is dat het échte racisme naar de achtergrond verdwijnt. Dankzij de heldhaftige opstelling van Mendes Moreira is het racisme-incident in heel Nederland besproken en slaan invloedrijke personen uit de voetbalwereld eindelijk met de vuist op tafel.

Ik ben heel benieuwd wat Mendes Moreira van Zwarte Piet vindt. Drie van de tien Surinaamse ondervraagden (30 procent) en vier van de tien Antilliaanse (40 procent) is van mening dat Piet zwart mag blijven, blijkt uit onderzoek van EenVandaag. Op de Antillen is de kleur van Piet minder een probleem omdat het ‘nu eenmaal bij de traditie hoort’. Van alle ondervraagden in ons land vindt in totaal 71 procent dat het uiterlijk van Zwarte Piet niet aangepast hoeft te worden. Met deze statistieken in het achterhoofd zie ik geen enkele reden om voor een kleine, drammerige minderheid te buigen. Een minderheid die propaganda en halve waarheden inzet om tegenstanders zwart te maken.

Je zou kunnen zeggen: maar die boodschap blijft toch hetzelfde als Piet roetvegen of een andere kleur krijgt? Aanvoerders (onder andere Quinsy Gario, Sylvana Simons en Kick Out Zwarte Piet) van het kamp van de anti-Zwarte Pieten hebben ervoor gezorgd dat ik tegenstanders geen compromis in de vorm van roetvegen gun. Wie polariseert verdient geen aanpassing, maar de roe. En wie garandeert mij dat men met roetvegen genoegen neemt? Met fundamentalisten valt niet te onderhandelen. Ik vrees voor een hellend vlak (inmiddels staat ook Sinterklaas ter discussie).

Wat zou het mooi zijn als de tegenstanders van Zwarte Piet dit kinderfeest met rust laten en vertrouwen op de geschiedenis, die aantoont dat tradities min of meer vanzelf veranderen. In plaats van protesteren bij de intocht van Sint en Piet, doen zij er verstandig aan om hun protest te verplaatsen naar Zeist: de thuisbasis van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB). Want het is te gek voor woorden dat er in 2019 apengeluiden vanaf de tribune klinken als een zwarte voetballer aan de bal is.

Als ik Sinterklaas was, zou ik deze idioten meenemen in de zak naar Spanje. Daar hebben ze een jaar lang de kans om hun zonden te overdenken en te biechten. Zij zijn hét probleem en niet een onschuldige vader die met zijn familie een gezellige avond wil beleven.

Wie zeurt over het zwarte pak van refodominees verdient een donderpreek

Dominees in een zwart pak. Je ziet ze niet alleen in Katwijk aan Zee, Barneveld en Urk. Ook op CIP.nl komen deze mannenbroeders regelmatig voorbij. Wie denkt dat ze op onze site verschijnen om het kerkvolk een donderpreek te geven heeft het mis. Deze dominees moeten echter regelmatig zélf wel een virtuele donderpreek verwerken vanwege hun uiterlijk.

Eén van die mannenbroeders die op onze website is verschenen, is ds. C. P. de Boer. De christelijke gereformeerde dominee zocht ik onlangs op met een camerateam om vijf inhoudelijke video’s te maken over kleding. Op genuanceerde wijze legde de dominee uit waarom hij het heel belangrijk vindt om zich bewust te zijn van de kleding die hij draagt. Wie de video’s heeft bekeken zal tot de conclusie komen dat hij dat op een correcte manier doet. Niet vanuit een wettische houding. Ook bleef het opgeheven vingertje achterwege.

Zijn laatste videoboodschap ging over het zwarte pak dat de predikant draagt wanneer hij ‘in functie’ is. De reacties op sociale media waren erg voorspelbaar. De Boer zou doen alsof hij met zijn gezin in de Middeleeuwen leeft en zou ook te weinig blijdschap uitstralen. Vaak wordt dan de indruk gewekt dat het hele dorp tot geloof zou komen wanneer de predikant zijn zwarte pak aan het Leger des Heils zou geven en een moderne spijkerbroek en een bloemetjesoverhemd zou aantrekken.

Het is een veelgemaakte fout. Op basis van een dominee met een zwart pak denken dat je een traditie begrijpt en grote woorden gebruiken – het liefst met een moderne bijbelvertaling en de opwekkingsbundel in de hand. Ik zou zeggen: verdiep je eens in de kerkgeschiedenis, de Reformatie en de cultuur van reformatorische christenen. Dan zou er eindelijk eens op niveau over het zwarte pak van de dominee gediscussieerd kunnen worden.

Wie die cultuur namelijk leert kennen, weet dat een dominee een enorme domme fout maakt wanneer hij in zijn kledingstijl geen rekening houdt met zijn achterban. Sinds kort mag ik onze kerkelijke gemeente af en toe de kerkdienst leiden. Meestal doe ik dat in vrijetijdskleding met een nette blouse. Als ik de dienst leid in een zwart pak of in mijn joggingsbroek, creëer ik een bepaalde afstand. Dan vind ik geen aansluiting bij de mensen tegenover mij. Wij communiceren nu eenmaal niet alleen met onze mond, maar ook met onze kleding.

Vaak worden dominees uit de bevindelijk-gereformeerde traditie weggezet als wereldvreemde snuiters die de laatste modetrends niet bijhouden. Opnieuw een bewijs dat er vooral over de dominee wordt gesproken en niet mét de predikant. De meeste refopredikanten zijn zich wel degelijk bewust van het feit dat hun kledingstijl vraagtekens oproept en mensen kan afstoten. Dominee De Boer zei dan ook: “Als ik in Canada had gestaan, zou ik een blauw pak dragen. Dat is daar de gewoonte.” Zodra zijn kledingkeuze ten koste gaat van zijn boodschap, loopt De Boer de eerstvolgende C&A binnen.

Met deze houding treedt dominee De Boer in de voetsporen van Jezus. Welke kleding onze Heer heeft gedragen, is niet bekend. Wel lees ik in de Bijbel dat Hij zijn benadering laat afhangen van het publiek tegenover Hem. Jezus staat erom bekend dat hij het goede nieuws vertelde aan de hand van gelijkenissen. Een vorm die paste in de toenmalige Joodse cultuur. Ik kan me voorstellen dat Jezus de YouTube-generatie vandaag de dag heel anders zou benaderen. En wat uiterlijk betreft heeft Hij zich waarschijnlijk gekleed naar de heersende norm van Zijn groep om zo niet onnodig afstand te creëren tot Zijn achterban.

Heb je bezwaar tegen het zwarte pak van onze broeders (ja, we hebben het over mensen die dezelfde Jezus dienen als jij en ik)? Ik zou zeggen, ga volgend jaar naar deze conferentie in Elspeet. Drie dagen lang komen dan een paar honderd dominees bijeen om lezingen te bezoeken en elkaar te ontmoeten. Ik weet zeker dat ze in één van de lange pauzes bereid zijn om een boeiend en leerzaam gesprek over hun kledingkeuze te voeren (ik spreek uit ervaring). Een dominee via Facebook zwart maken – zonder zelf de moeite hebben genomen om met die dominee een goed gesprek te voeren – is niet volwassen, niet wijs én niet christelijk.

Het zwarte pak biedt zelfs kansen. Dat merkt ook ds. A. A. Egas (te zien op de foto boven dit artikel). Ook deze dominee kleedt zich in het zwart. “Ik moest een gemeentelid in het ziekenhuis bezoeken. Toen ik door de gang liep, riep er iemand: “Dominee, dominee. Zou u met mij willen bidden, want ik moet zo meteen geopereerd worden”, vertelde hij onlangs in deze CIP Podcast. Bijzonder! In een hedendaags ziekenhuis herkend worden omdat je een zwarte pak draagt.

In 2019 zijn niet alleen een moderne aanbiddingsdienst of coole YouTube-filmpjes middelen om de blijde boodschap van Jezus te verspreiden. Dat geldt ook voor het pak van ds. Egas. Wij denken vaak heel zwart-wit. Gelukkig is onze God anders!

Gejuich in de hemel, en in Zeeland

Deze week kijken mijn familie en ik uit naar een bijzonder feest. Op 21 september vieren mijn vader en zijn vrouw Helma hun 1-jarig huwelijksjubileum. Er klinkt dan niet alleen gejuich in hun Zeeuwse woonplaats ’s Gravenpolder, maar ook in de hemel.

Een jaar geleden mocht ik ceremoniemeester zijn op de trouwerij van pa, een jaar nadat ook mijn moeder in het huwelijksbootje stapte. Het moment dat ik mijn moeder in de kerk weggaf aan haar man, zal ik nooit meer vergeten. Het merendeel van mijn vrienden zal dit nooit meemaken en voor wie niet is opgegroeid in een ‘gebroken gezin’ is het moeilijk om hier überhaupt een voorstelling bij te maken.

Tussen 1997 en 2017 is het percentage vijftienjarigen dat niet gezamenlijk met beide ouders op hetzelfde adres woont, gestegen van 20 naar 30. Zo’n 16.000 kinderen in Nederland ondervinden serieuze problemen ten gevolge van gescheiden ouders. Ik denk dat het goed is om hier eens bij stil te staan. Op de middelbare school heb ik van veel lessen helemaal niets meegekregen. Mijn gedachten dwaalden af. Voortdurend.

Wie met kinderen van gescheiden ouders praat, zal heel veel verschillende verhalen aanhoren. Iedere scheiding is een verhaal op zich. Ook dat cliché is waar. Wat we gemeenschappelijk hebben is dat we onze ouders gelukkig willen zien. Als pa en ma dat niet met elkaar kunnen zijn, dan hopelijk met een ander. Het viel niet mee om ze doodongelukkig te zien, de één voor de scheiding en de ander erna. Het aantal slapeloze nachten is niet op twee handen te tellen.

Een trouwdag van pa of ma is niet te vergelijken met een ‘gewone’ bruiloft waarbij bruid en bruidegom geen rugzakje hebben. Met een dubbel gevoel leefde ik toe naar de grote dag, met alle verdrietige gebeurtenissen nog in het achterhoofd. Je zou het een gouden dag met een zwart randje kunnen noemen.

Deze week vieren mijn vrouw Neline en ik ons 3-jarig huwelijksjubileum. Het was toen maar de vraag of opa Schipper bij onze bruiloft aanwezig zou kunnen zijn. Zijn gezondheid ging destijds meer en meer achteruit. Gelukkig was er op onze trouwlocatie een traplift aanwezig en heeft hij, op de kerkdienst en het feest na, de ceremonie na bewust mee kunnen maken. Dat gold ook voor Nelines opa, die een jaar later overleed.

Na onze bruiloft knapte opa Schipper steeds meer op en mocht hij toeleven naar de bruiloft van zijn zoon (mijn vader dus). Speciaal voor die grote dag kocht hij een schitterend pak met een fleurige stropdas. Het stond hem fantastisch! Ik zie hem nog zitten in zijn rolstoel, wapperend met een Nederlands vlaggetje, bruid en bruidegom verwelkomend.

Het zou de laatste bruiloft zijn die hij heeft meegemaakt. Eerder schreef ik deze blog in de week voordat opa stierf en deze blog naar aanleiding van zijn begrafenis. Mijn vader mocht mijn het lichaam van opa Schipper afleggen. Pa trok hem het pak aan dat opa speciaal voor zijn bruiloft had gekocht. In dat pak heb ik opa voor het laatst gezien. In zijn kist. Met zijn handen op de Bijbel.

Zaterdag proosten we op het huwelijk van mijn vader en Helma. Gejuich in Zeeland, en in de hemel.

In christelijk Nederland voel ik mij vaak een tweederangschristen

Een voetbaltrainer kan niet meer dan elf spelers het veld opsturen. Wie niet tot die elf spelers behoort, valt buiten de boot. Een plekje op de bank of de tribune is het gevolg. Meekijken vanaf de tweede rang. Ook in de christelijke wereld zitten veel mensen op de bank of de tribune: tweederangschristenen.

Totdat ik mijn vrouw Neline leerde kennen ging ik iedere zondag naar een evangelische kerk en zij naar een hervormde kerk. Al snel kregen we een weekendrelatie. De ene week zongen we klappend opwekkingsliederen onder begeleiding van een muziekband. De andere week zongen we psalmen onder begeleiding van een organist. Het is duidelijk: we komen uit twee verschillende kerkstromingen. De pessimist zal zeggen: ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ De optimist zal beweren: ‘Twee geloven op één kussen, daar is de Heilige Geest aan het klussen.’

Terwijl de Heilige Geest in onze relatie aan het klussen was, zijn Neline en ik regelmatig gevraagd naar onze mening over een in christelijk Nederland gevoelig onderwerp: de doop. In mijn evangelische kerk werd de volwassendoop gehanteerd. Wie heeft besloten de rest van zijn of haar leven Jezus te volgen wordt op eigen initiatief gedoopt. Kortom, eerst geloof en dan doop. In de kerk waarin Neline is grootgebracht denkt men precies andersom: eerst doop, dan geloof. Daar is de kinderdoop gebruikelijk. Gods beloften gelden ook voor kinderen en de kinderdoop is een mooi symbool om dat te bekrachtigen.

Koffie schenken en bejaarden ophalen

In één van de grootste evangelische kerken van ons land ligt bij de ingang een boekje met mensen die het ‘gezicht’ van de kerk vormen. Kerkleiders, muzikanten, kinderwerkers etc. Wie zich niet als volwassene laat dopen, maar wel bij deze gemeente wil horen zal met zijn of haar gezicht niet in dat boekje terechtkomen. Dan zal je genoegen moeten nemen met een plaats om de ‘bank’ of de ‘tribune’. Taken als koffie inschenken of bejaarden ophalen blijven dan over. Tenzij je je laat dopen. Sommige mensen die met de kinderdoop opgegroeid en bij deze kerk willen horen, gaan uiteindelijk tóch kopje onder. De prijs voor een leven als tweederangschristen is te hoog.

Als het gaat over de doop heerst er in de evangelische wereld vaak een VOC-mentaliteit. Ik herinner mij een ongemakkelijk gesprek tussen een evangelische broeder uit mijn voormalige kerk. Hij had blijkbaar opgevangen dat Neline als kind is gedoopt en op latere leeftijd geloofsbelijdenis heeft gedaan. De beste man veranderde in een radicale evangelist die mijn vrouw behandelde als een afgedwaalde heiden die op weg is naar het eeuwig verderf. In de e-mail die hij later stuurde maakte hij duidelijk dat volwassendoop noodzakelijk zou zijn om het koninkrijk van God binnen te gaan. De e-mail kwam terecht bij ‘verwijderde items’. Tot in eeuwigheid.

Die VOC-mentaliteit is helaas ook in traditionele kerken te vinden. Zo schreef mijn collega Patrick Simons onlangs over een opvallende doopkwestie op Urk. Een evangelist doopte een volwassene in het IJsselmeer. Voor een dominee, aanhanger van de kinderdoop, was dit de laatste druppel die het doopvont deed overlopen. Hij trok de stoute schoenen aan en stapte naar het bestuur van de school waar deze man lesgeeft. Gevolg: de docent is tijdelijk gedegradeerd tot onderwijsassistent.

Een ijskoude douche of een warm bad?

Inmiddels kies ik al jaren voor de veilige route als het hierover gaat: zwijgen. Als ik op die manier een onveilig gevoel kan ontlopen, doe ik dat graag. Ten diepste wil niemand zich afgewezen voelen door een ander. Ik ook niet. Toch gaat daar verandering in komen. Mijn vrouw en ik hebben ons de afgelopen jaren in de kinder- en volwassendoop verdiept. Inmiddels zijn we ervan overtuigd dat één van de twee betere argumenten heeft. Kunnen we dan weer een ijskoude e-mail van een medechristen verwachten of kunnen we écht ervaren dat we onderdeel zijn van een warm bad, zoals in bijna iedere kerk wordt beweerd?

Een jaar of vijf geleden hield ik mijn adem in. Niet omdat ik werd gedoopt, maar omdat in de hervormde kerk van Neline het heilig avondmaal op het programma stond. Ik vreesde dat de dominee mij zou afwijzen. Lid van de verkeerde club. In plaats daarvan maakte de dominee duidelijk dat ik van harte welkom was om het avondmaal in zijn schitterende Amersfoorste kerk – waar Neline en ik ook zijn getrouwd – te vieren. Zitten aan de avondmaalstafel was één van de rijkste ervaringen in mijn leven. Geen tweederangschristen in de kerkbank, maar drinkend van de avondmaalswijn. Op de eerste rang.

Tijdens het avondmaal gaf de dominee mij een knipoog. Zo’n dominee gun je iedere kerk. Evangelisch of hervormd.

Een evangelische tsunami gaat de BibleBelt overspoelen: zijn we er klaar voor?

Zo’n 13 jaar geleden waarschuwde PVV-leider Geert Wilders dat ons land overspoeld zou worden. Overspoeld door een ‘tsunami van moslims’. Die islamisering is in christelijke kring vaak hét gesprek van de dag. Ondertussen wordt de ‘tsunami van evangelische christenen’ doodgezwegen of verketterd.

‘Ga jij ook al naar die halleluja-gemeente waar iedereen gelooft dat ze gegarandeerd naar de hemel gaan?’ Die vraag kreeg ik meer dan 10 jaar geleden regelmatig naar mijn hoofd geslingerd. In reformatorische kring was doorgedrongen dat ik het evangelische gedachtegoed had ontdekt. En inmiddels ben ik niet meer de enige.

In Drachten is het geloof van duizenden christenen nieuw leven in geblazen dankzij de baptistengemeente Bethel. Orlando Bottenbley is door dat succes een BC’er (Bekende Christen) geworden. Ook de DoorBrekers zijn doorgebroken in de BibleBelt. Eerst in Barneveld en nu ook op vier andere plaatsen. Het nieuwste succesnummer is Mozaïek0318 in Veenendaal. Christenen hebben er gerust een autoritje van drie kwartier voor over om daar de Heer te loven en te prijzen.

Onlangs sprak ik met Menno Hanse. In zijn woonplaats Veenendaal ziet hij de gevolgen van deze evangelische tsunami. Tussen de dertig en zestig mensen waren de afgelopen jaren aangesloten bij de jeugdvereniging van de hervormde kerk die hij bezoekt. Het aantal jongeren dat is gebleven is op één hand te tellen. De meesten hebben in de evangelische beweging een nieuw thuis gevonden.

Het valt hem op dat in de traditionele kerken deze beweging wordt doodgezwegen of verketterd. Dat verbaast mij. Tijdens en na de Reformatie hebben christenen goud ontdekt waardoor de kerk in Nederland nieuw leven werd ingeblazen. In deze tijd ontdekt de evangelische beweging nieuw goud. Dominees en ouderlingen weigeren die goudmijn te bestuderen en stoppen de in refoland ontdekte schat het liefst onder de grond. Jammer!

Ergens begrijp ik deze dominees en ouderlingen wel. Als groepen jongeren je kerk verlaten en verderop wél aansluiting vinden, kan dat voelen als een mes in de rug. ‘Wij lezen toch uit dezelfde Bijbel en bidden tot dezelfde God?’ Dat klopt! Reden te meer om deze groep ex-refo’s niet als collaborateurs te beschouwen. Bovendien voorkomt de evangelische tsunami dat deze groep wordt meegesleurd door een échte ramp: de secularisatiegolf. Dan wordt die Bijbel nooit meer geopend. Tot in eeuwigheid.

Omdat in sommige reformatorische kerken de traditie heilig is verklaard wordt het comfort van ouderen – die niet zonder de gereformeerde traditie kunnen – verkozen boven de behoeften van veel jongeren. Wat zou het mooi zijn als de jeugd na een weekend springen en praisen de door hen ontdekte schat kunnen openen in hun traditionele kerk en niet gedesillusioneerd hoeven uit te wijken naar een hippe evangelische kerk.

Wie in een evangelische gemeente het paradijs denkt te ontdekken, zal echter snel teleurgesteld worden. Ook die kerk bevindt zich buiten het paradijs, ook al doen de goedlachse broeders en zusters en de vrolijke liederen anders vermoeden. Helaas verheffen sommige evangelische kerken zich boven de rest omdat hun kerk wél groeit. Sommigen kunnen het vervolgens niet laten om met dedain over de reformatorische gezindte te spreken. Maar Kees Kraayenoord heeft met Mozaïek0318 niet het kerkwiel opnieuw uitgevonden. Het is dezelfde kerk als de kerk der eeuwen, maar dan in een ander jasje.

Doodzwijgen of verketteren. Dat is in reformatorisch Veenendaal volgens Menno Hanse de primaire reactie op de komst van Kees en co. Dat kan beter! Het wordt tijd voor een goed gesprek. Een thema-avond voor mijn part. Laat Kees Kraayenoord in drie punten vertellen wat hij waardevol vindt aan de reformatorische kerkcultuur. En laat een refodominee uit Veenendaal vertellen wat hij heeft geleerd van de opkomst van de evangelische beweging. Eén ding is zeker, het zal veel onbegrip en misverstanden wegnemen.

Ik vind het prachtig als een evangelische kerk een stad tot bloei brengt, gelovigen wakker schudt en voor verbinding zorgt door een sterke, sociale gemeenschapscultuur. Ik vind het ook prachtig als ik een refodominee zie schitteren op een kansel met een theologisch doorwrochte preek die ook het lef heeft om tegen de tijdgeest in te gaan. Twee goudmijnen. Evangelisch én reformatorisch goud. Ik hoop dat de refogoudmijn de evangelische tsunami overleeft.

Ik vond dominee De Heer een oubollige, vervelende refopredikant (en nu heb ik spijt)

‘God, ik dank U dat ik niet zo ben als de andere mensen.’ Dit gebed zal je niet snel te horen krijgen. En toch denk ik dat dit gebed in hoofden van mensen vaker wordt gebeden dan gedacht. Dit gebed van een Farizeeër uit Lukas 18 ging vaak door mijn hoofd toen ik las over dominee J. M. D. de Heer, predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten.

Als ik bij mijn schoonouders op bezoek ben, lees ik graag het Reformatorisch Dagblad. Vroeger deed ik dat ook toen ik als havoleerling studeerde bij een vriend. Regelmatig las ik artikelen van reformatorische dominees die niet blij zijn met de opkomst van de evangelische beweging. De opwekkingsliederen zijn te veel gebaseerd op gevoel en evangelische christenen zouden er te gemakkelijk vanuit gaan dat ze in de hemel komen. Soms had ook dominee De Heer weer eens iets over de evangelische beweging te melden. Dan had ik de neiging om de krant een paar uur later als wc-papier te gebruiken.

Het is altijd ongemakkelijk als ‘buitenstaanders’ kritiek uiten op de kerk die jijzelf bezoekt. De kritiek van dominee De Heer kwam nog harder binnen, omdat ik in een evangelische kerk tot geloof ben gekomen. Daar kwam de Bijbel voor het eerst tot leven. Kritiek op mijn kerk/beweging zag ik als kritiek op de HEER zelf. Alsof dominee De Heer mijn God weer opnieuw aan het kruis nagelde met zijn negatieve gebazel over evangelische gebruiken, liederen en kerken.

Sindsdien staat één ding voor mij vast: De Heer deugt niet en moet met pek en veren de kerk uitgejaagd worden. Ik was als de Farizeeër die het liefst met stenen naar zondaren zou gooien en het lef had om hardop uit te spreken: ‘God, ik dank U dat ik niet zo ben als die andere mensen [uit de GerGem, red.].’ Het was maar goed dat ik niet in Middelburg woonde. Dan stond ik hem met een mand rotte tomaten bij zijn pastorie op te wachten en kreeg hij ervan langs als hij naar buiten zou komen. De dominee zou dan voor het eerst met een rode stropdas de kansel betreden.

Het gevolg was dat ik de mensen die zijn kerk bezochten jarenlang niet serieus nam. Op zondagochtend zag ik ze regelmatig in grote aantallen naar de kerk lopen. Met dedain keek ik op ze neer. Op weg naar de ware kerk. Opwekkingsliederen zingend.

Aan die houding ging een aantal grote fouten vooraf. Ik verdiepte mij nooit inhoudelijk in de kritiek van dominee De Heer. Iemand demoniseren is immers gemakkelijker. Ook benaderde ik hem nooit voor een interview. Als redacteur van CIP.nl had ik dat op z’n minst kunnen proberen. Dan zou ik hem in de ogen kunnen kijken en mijn kritische vragen kunnen stellen. Mijn collega Patrick Simons deed dit onlangs wel, en met succes. In meerdere artikelen gaat De Heer voor onze website zijn kritiek beargumenteren. Tot mijn grote schrik ben ik het op sommige punten zelfs met hem eens.

Onlangs vroeg ik mij in een column af waarom christenen zich zo gemakkelijk op de kast laten jagen als iemand kritiek uit. Het is gewoon een teken van onvolwassen gedrag. Denk maar eens hoe pubers reageren als één van de ouders wijst op hun gedrag. Daarnaast helpt een vijandbeeld om jezelf of je eigen kerk op een voetstuk te zetten. Door dat vijandbeeld uit te vergroten denk je duidelijk te maken dat jij wél weet wie God is en die ander niet. Een handige tactiek is om negatieve ervaringen uit die andere kerken uit te vergroten en jezelf op de borst te kloppen met die prachtige godservaringen uit je eigen kerk.

Misschien is het marketingtechnisch heel slim om zo je eigen kerk te promoten. Maar christelijk is het niet. Het is hoogmoedig. Het laat zien dat wij mensen in zonde zijn ontvangen en geboren, zou dominee De Heer zeggen. Daarom zeg ik vandaag ‘sorry’ tegen De Heer. Hij is niet de vijand. Hij is een broeder. De Heer is een broeder in de HEER.

Even was ik vreemdeling in eigen land

Bijna een jaar geleden leefde de wereld toe naar het WK voetbal. Normaal gesproken zou overal het Oranjegevoel tot leven komen. Vorig jaar even niet, want Nederland deed niet mee…

Toen duidelijk werd dat het Nederlands elftal niet mee zou doen, haalde ik mijn schouders op. We waren niet goed genoeg. En ik zou vast en zeker van andere landen kunnen genieten. Maar tijdens het WK miste ik het Oranjegevoel enorm. De oranje vlaggen in de straat. Samen juichen en balen met vrienden en familie. Het wij-gevoel dat er alleen is als Oranje speelt en als er een aanslag wordt gepleegd.

Een deel van ons land was wél in een WK-stemming. Hier in de Utrechtse wijk waren het vooral Marokkanen. Zij hadden zich wel geplaatst. Dat gold ook voor Iran. Omdat het land sinds 1979 een islamitische staat is, telt ons land inmiddels veel Iraanse vluchtelingen die de islam afwijzen. Een deel van die Iraniërs komt op zondag naar onze kerk. Een Iraniër nodigde de kerk uit om de komende week in een buurtcentrum – tijdelijk omgetoverd in een Iraans café – de wedstrijd Iran-Spanje te kijken.

‘Leuk!,’ dacht ik toen nog. Hunkerend naar dat Oranjegevoel zag ik het helemaal voor me. Negentig minuten lang Iraniër zijn, met hen meeleven en als het even kan meejuichen.

Ik weet nog goed dat ik ergens in Utrecht op zoek ging naar die ‘Iraanse kroeg’ vol gezelligheid. Het was even zoeken. Omdat de wedstrijd al was begonnen zat iedereen binnen. Lang leve Google Maps! Stilletjes hing ik mijn jas op aan de kapstok. Zenuwachtig waren alle Iraanse ogen gefocust op het beeldscherm. Mijn komst werd duidelijk niet opgemerkt.

Tijdens de wedstrijd stelde ik mij voor aan mijn Iraanse buren. Ik vroeg of ze zenuwachtig waren en of ze dachten dat Iran kans zou maken om te winnen. Het ijs werd niet gebroken… Er zat niets anders op dan naar het beeldscherm kijken. Om mij heen werd in het Farsi de wedstrijd geanalyseerd.

De scheidsrechter floot. Het was rust. Ik zag een Nederlands meisje zitten. Eindelijk iemand om mee te praten. Ik ging naast haar zitten. Ze was die avond meegekomen om haar Iraanse vriend te steunen. Na de pauze ging alles op oude voet verder. In het Farsi werden alle emoties geuit. In het Farsi boden mensen elkaar een hapje en een drankje aan. In het Farsi werd verteld dat Iran best goed voetbalde.

Het eindsignaal klonk. Spanje won de wedstrijd met 0-1. Iran heeft het goed gedaan en had grote kansen op de gelijkmaker. Iedereen ging naar buiten om de nederlaag te verwerken en na te praten over de wedstrijd. In het Farsi. Ongemakkelijk keek ik naar links en naar rechts. Geen Nederlander te bekennen. Ik pakte mijn jas, sloop stilletjes weg en fietste weer naar huis.

Het is heel lang geleden dat ik mij vreemdeling voelde ik eigen land. Op de fiets dacht ik aan al die duizenden vluchtelingen die de taal niet spreken, maar wel Nederlander willen zijn. Ik dacht aan dat stel dat op zondag naar een nieuwe kerk gaat en door niemand wordt aangesproken. Vreemdeling zijn in je eigen land. Dat voelt minstens als een 0-1 nederlaag op het WK voetbal.